Met een knal het seizoen uit!

Met een knal het seizoen uit!

Wie zeilt, heeft mooie verhalen. En hoe langer je zeilt, hoe meer verhalen je hebt. Hoewel ze vaak op het moment zelf hachelijk, pijnlijk of ronduit doodeng zijn, blijken het later prima ijsbrekers in vreemde gezelschappen. Gepolijst door de tand des tijds en bijgestuurd door de schipper rijpen deze verhalen tot ware thrillers en worden ze beeldend verwoord vanaf een barkruk of het leugenbankje. Zaterdag 14 september omstreeks 13.00u begon ons verhaal.

We deden mee aan de Hooikistrace, waar ik als lid van de wedstrijdcommissie veel energie in had gestoken. De vele persberichten werden beloond met een grote opkomst. Meer dan dertig schepen stonden aan de start van de seizoenssluiter. Ik werd bijgestaan door mijn vaste crew. Hennie onze tacticus deed grootzeiltrim, Rob was verantwoordelijk voor de genua en toetsen, René deed zoals gebruikelijk het voordek en ik stond aan het roer en zag dat het goed was.

De wind was lekker met een kleine vier Beaufort uit het Zuidwesten. Op het Markermeer vertaalt zich dat al snel in een redelijke golfslag waardoor we in de eerste race bijna onze voordekker verloren. Het was voor René en Rob een kennismaking met serieuze condities. Beide heren zeilen nog niet zo lang en dit was dan ook de eerste keer dat ze een flinke wind om hun oren kregen op een flink meer. Spoedig zouden ook zij een mooi hoofdstuk aan hun zeilverhalen kunnen toevoegen.

De eerste race starten we fantastisch. We gaan als eerste over de lijn, tenminste als je de twee Tirions uit onze klasse niet meerekent. En dat doen wij ook niet, want een bootje dat planeert en bijna vier keer zo licht is, kun je niet met ons vergelijken. We zeilen goed en gaan als vijfde om de bovenboei. Het loopt niet lekker met het spinakerhijsen waardoor we meters verliezen en Team Windrose in onze nek begint te hijgen. Ze gaan ons voorbij maar overvaren de bovenboei waardoor we het tweede spirak weer net voor hen liggen. In dit spirak gaat alles mis. De spi is bijna bovenin als blijkt dat de schoot aan lij door de zeereling zit. Rene maakt ‘m los maar de krachten zijn te groot. Als een wild paard kiest de spi het vrije pad.

De fout wordt gelukkig snel hersteld en we kunnen eindelijk spinakeren. De Windrose is ons allang voorbij en we kunnen alleen nog maar proberen zijn wind te verstoren. Na het derde spirak rammen we Fram over de finish. Spi neer, genua in en rustig doordobberen op het grootzeil.

Centrale Meldpost IJsselmeer heeft het al enkele uren over Noordwest zes op het Markermeer, terwijl de actuele wind Lelystad slechts vier Beaufort aangeeft uit het Zuidwesten. Ook wij, circa 10 mijl ten Zuiden van Lelystad, hebben ‘slechts’ windkracht vier. Maar dan pakken grauwe luchten boven Amsterdam zich samen. De witte zeilen steken als haaientanden uit het groene Markermeer. Alsof ze willen zeggen ‘kom maar op’.

Plotseling draait de wind 90 graden en vliegt met een snelheid van 20 knopen over ons heen. Alle ogen zijn gericht op het startschip. Ze lijken de baan te verleggen. Dat moet ook wel met deze windshift. Ook wij maken ons klaar voor de wedstrijd. We rollen de genua 2 weer uit om te kijken hoe Fram reageert op dit windje. We loeven op tot aan de wind. De boot gaat schuin, maar we lopen niet uit ons roer. Het is kantje-boord, om in het scheepvaart jargon te blijven. We overwegen een rif te zetten, maar omdat we met deze wind niet meer de spinaker kunnen gebruiken zijn de extra vierkante meters grootzeil voordewind wel handig. We twijfelen, maar daar komt abrupt een einde aan.

‘Pang!’ gevolgd door luid geklapper van de zeilen kondigt het begin van de crisissituatie aan. Ik zie de genua en het profiel van de rolreefinstallatie langszij. Als ik naar boven kijk zie ik dat de mast net boven het onderwant is gebroken en als de kleine wijzer in ‘vier uur’ naar stuurboord wijst. Er is geen tijd om te balen. Het is gewoon zo. ‘Roeien met de riemen die je hebt’, zouden de roeiers van onze vereniging zeggen. De wedstrijdmodus gaat uit, de crisismodus gaat aan.

“Allemaal laag blijven!”, schreeuw ik. “Ok jongens, luister! We kunnen de motor niet starten voordat alle lijnen en verstaging binnen is. Anders kunnen deze in de schroef komen en hebben we een nog groter probleem.” Het rare zeil dat nog overeind staat en de genua die nu niet meer van beneden-naar-boven loopt, maar van voor-naar-achter zorgen dat we met vier knopen doorvaren. We kunnen niet hoger dan halve wind en afvallen is geen optie want we zijn slechts een dikke mijl van lagerwal verwijderd. Natuurlijk neemt de wind verder toe en beuken de golven op ons in.

Het hoofdwant hebben Rob en Hennie direct binnen. De gebroken achterstag en kraanlijn vormen een probleem. Deze zitten alleen nog aan de top vast en slepen op vier meter afstand door het water. We moeten even afvallen inde hoop dat we deze lijnen (bijna) overvaren en met de pikhaak aan boord kunnen slepen. De eerste poging mislukt, maar de tweede keer grijpen we de kraanlijn. Ik was vergeten dat we die aan de achterstag hadden vastgemaakt. Een geluk bij een ongeluk. We vissen beiden uit het water en kunnen een kleine vreugdekreet klinkt over het dek. We kunnen de motor starten.

Inmiddels komt de Gibsy van Xander Bianchi, een andere deelnemer van de Hooikistrace, polshoogte nemen. Ze kunnen niks voor ons betekenen, maar hebben één waardevolle tip. “Ga naar Pampushaven”, schreeuwt hij luidkeels. Het is niet ver van onze positie. Mijn duim gaat omhoog en we zetten koers richting de vluchthaven.

Het hele principe van een vluchthaven kende ik niet voor de dodelijke storm van 7 juni 1997. Daar dateert een van mijn andere, inmiddels gepolijste, zeilverhalen. Toen voer ik met mijn vader midden op het IJsselmeer en konden we niet vluchten. Dit keer wel. We maken er dankbaar gebruik van.

In Pampushaven gaan we voor anker. Het rare zeil drukt de boot elke keer uit de wind. We moeten volle kracht vooruit geven om de boot recht in de wind te houden. René staat aan het roer en ik maak het anker gereed. “Hou je de diepte in de gaten?” Mijn commando gaat verloren in de wind. Ik roep nog harder: “DIEPTE!” René kijkt op het multi-log en gebaart dat we al in de ondiepte zitten. Vol gas achteruit. Fram valt weer meteen af en de zeilen stuwen ons met halve wind verder Pampushaven in. Ik gooi het anker uit in de hoop dat die ons in de wind wilt houden. “Anker is uit!”, roep ik en de lijn komt op spanning.

Ik loop terug naar de kuip en geef aan wat er moet gebeuren. “Rob en Hennie, probeer de zeilen te strijken. René, jij houdt de boot in de wind en geeft zo nodig gas bij. En allemaal goed kijken waar we nu liggen. Als het anker niet houdt moeten we snel handelen anders raken we aan lagerwal.” Ik zie Rob naar lagerwal kijken en kijk zelf ook even. Levenloze basaltblokken staren ons emotieloos aan.

We gaan snel verder. Iedereen begrijpt zijn taak. Voorzichtig maken we de vallen los. We hebben geen idee of hier veel spanning op staat en ik ben bang dat de mast helemaal kan afbreken als deze spanning wegvalt. Ik overleg met Hennie en we besluiten toch de klemmen te openen.

Gelukkig, er gebeurt niks… Shit! Er gebeurt niks! De genua krijgen we met geen mogelijkheid naar beneden. Alle vallen zitten knel in de geknakte mast. Het grootzeil krijgen we sowieso niet naar beneden doordat de gleuf waar de leuvers doorlopen verwrongen is. We schakelen over naar Plan B: Bind het zeil zoveel mogelijk bij elkaar. Maar de inmiddels 28 knopen wind verbiedt het ons. Hennie vraagt of het zeil ook door de giek naar de mast kan. ‘Ja natuurlijk! Goed idee.’ En we maken de onderlijkstrekker los en binden het onderste deel van het zeil aan de mast met de schoot van de genua. Het is grappig hoe elke kleine ‘overwinning’ je een energie-boost geeft. Helaas maakt die overwinning snel plaats voor een nieuw probleem. Ik zie dat we al twintig meter zijn verlijerd. “We hebben een krabbend anker!”

Kort leg ik René uit wat hij moet doen. Hij doet zijn best om Fram in de wind te houden en naar hogerwal te varen, maar het is geen gemakkelijke opgave. We gooien het anker opnieuw uit. Dit keer houdt hij nóg minder. De rotsachtige kust van Flevoland komt nu sneller dichterbij. De wind tikt zeven Beaufort aan. We geven gas bij, maar Fram is ontembaar met zijn gebroken mast.

Op kanaal 16, het noodkanaal, is het inmiddels aardig druk en zijn de eerste reddingsoperaties een feit. Dan vuurt mijn onderbewustzijn vragen op mij af: Hoeveel diesel zit er eigenlijk nog in de tank? Wanneer gaat de storm liggen? Hoelang houden we dit eigenlijk nog vol? Ik weet het niet. We kunnen niet over bakboord terugvaren naar Naarden. We zullen te snel verlijeren en de golven buiten Pampushaven zijn groot en rollen als vrachttreinen voorbij. Het anker houdt ons ook niet. En dan komt dat moment waar je vaak aan hebt gedacht. Het moment dat de situatie groter is dan jezelf aankunt. Het moment waarvoor ik dit jaar nog mijn marifoonexamen heb afgelegd. Het moment dat je de Nederlandse Kustwacht oproept.

“Daar gaan we dan”, zeg ik tegen mezelf en druk de ‘press-to-talk’ knop in. “Nederlandse Kustwacht, Nederlandse Kustwacht, hier Fram, ontvangt u mij?” Als ik de PTT knop loslaat hoor ik alleen maar het noodverkeer tussen reddingsboot ‘Frans Verkade’ en Den Helder Rescue. Ik kijk naar de antenne die ongeveer twee meter boven water steekt en met de punt richting die akelige rotsblokken wijst. Direct pak ik mijn iPhone. In mijn favorieten heb ik ooit de KNRM gezet.

Het is voor het eerst dat dit ook daadwerkelijk mijn favoriete nummer is. ‘Den Helder Rescue zegt u het maar’ klinkt er direct. ‘Hier Fram, Papa Alfa 4423, onze mast is gebroken, liggen voor anker in Pampushaven, anker houdt niet, vier man aan boord, geen gewonden, willen assistentie met bergen.’ Mijn eigen woorden klinken onwerkelijk en de adrenaline vecht tegen de emoties en andersom. Dit is het punt dat je niet wilt bereiken, waarom moet dit ons nu overkomen? Ik wil de boodschap herhalen, maar de regen op mijn wang heeft het elektronische binnenwerk van mijn telefoon bereikt en Den Helder Rescue reageert niet meer. Gelukkig hoor ik de oproep direct op kanaal 16. Het is goed aangekomen. Ik informeer de crew en zeg dat hulp onderweg is.

We wachten en proberen de schade beperkt te houden. Over de marifoon horen we de reddingsboot Poseidon in gesprek met Den Helder Rescue: “Het is chaos, er zijn te weinig reddingsboten.” Zelfs de reddingsboten uit Huizen en Spakenburg rukken uit om te helpen op het Markermeer. “Ik ga eerst naar die omgeslagen catamaran en daarna naar die gebroken mast in Pampushaven.”, meldt de Poseidon. Die gebroken mast zijn wij. Het gaat nog even duren dus. We varen opnieuw naar hoger wal en gooien het anker weer uit. Het anker lijkt de moed te hebben opgegeven. “Gas bij!” De commando’s zijn nauwelijks verstaanbaar door de harde wind. Het is ploeteren. Het spreekwoordelijke ‘pompen of verzuipen’ schiet door mijn hoofd en lijkt een stuk minder spreekwoordelijk. We hebben de situatie amper onder controle en verlangen nog steeds hulp. En dan zien we de Poseidon. ‘Shit het is geen KNRM’, is mijn eerste gedachte. Spookverhalen van dure sleep- en bergingsbedrijven dwalen door mijn hoofd. Rekeningen van duizenden euro’s achteraf in plaats van je KNRM wimpel laten zien. Even overweeg ik om de hulp te weigeren en te wachten op de jongens van de KNRM. Heel even maar. Want direct zegt een stemmetje in mijn hoofd: ‘Waar ben je mee bezig Floris? We kunnen de boot niet zelf terugvaren, we kunnen nauwelijks de neus in de wind houden, het anker houdt niet en daar zijn de basaltkeien. Kijk daar Floris, 50 meter verderop!’ We gaan met de man in zee.

Als hij langszij komt zie ik dat er een tweede man binnen zit. ‘Ok, dan zal hij nu wel sturen’, denk ik. Hij vraagt hoe hij kan helpen en ik zeg dat de snapshackle van de genuaval los moet zodat we dat zeil kunnen bergen. Hij begrijpt niet wat ik bedoel en ik stap bij hem aan boord en doe het zelf. Dan biedt hij een sleep aan. “Is dat nodig?” “Ja, de golven zetten je zo op de kant”, het Volendamse accent klinkt door zijn woorden. “En maak je maar geen zorgen over de rekening, dat komt wel goed!” De palingvisser kan ook al gedachten lezen. Het opzetten van de sleep gaat uiterst knullig. ‘Waarom stuurt zijn collega die boot niet even om ons heen?’, maar als ik nog een keer kijk snap ik het. Het is geen collega, het is zijn negenjarige zoontje daarbinnen. Er staat helemaal niemand aan het roer.
De sleepkabel willen we vastmaken maar komt al op spanning voordat we ‘m vast hebben. Rob en Hennie moeten ‘m loslaten. In een tweede poging lukt het om de lijn vast te maken maar drijft de bergingsboot ons in tegengestelde richting voorbij en de kabel komt tussen ons roer en de romp. Het roer zit direct vast. Wat een prutser. Maar goed, ik heb geen alternatieven. We krijgen de lijn los en dan kan de sleep naar Naarden beginnen.

De ‘redder’ van de Poseidon heeft ook nog tijd om een tweetbericht te plaatsen met bovenstaande foto.

Na een kwartier zeg ik tegen hem dat we niet zo rechtdoor kunnen varen want we steken 1,60 meter diep. Even naar de vaargeul a.u.b. Het is jammer dat ik hem eraan moet herinneren, maar wat ik veel erger vind is dat dit soort lui in hun eentje (zonder reddingsvest) dit soort acties mogen doen. Bij de KNRM krijg je vier volwassen, getrainde mannen in dry suites. Bij Beun de Haas krijg je een verveeld negenjarig jongetje.

De rest van de sleep gaat goed. We maken de eerste grapjes: “Kunnen we wel onder de Hollandse Brug door?”. En ook het bemanningsprobleem voor de Pinguin Cup in oktober is in een klap opgelost. In de haven varen we op eigen kracht naar de kraan. Mijn schoonvader en mede-eigenaar, Ben Rouwhorst, is direct in de auto gesprongen en maakt foto’s van onze entree. En mijn eigen vader, Lodewijk, toevallig aanwezig met zijn Albin Vega club, staat ons op te wachten.

Langzaam verzamelen andere wedstrijdzeilers zich bij onze gehavende boot. We horen dat de tweede race is afgelast. Een goed besluit dat voor ons net iets te laat kwam. Terwijl wij verslagen voet aan wal zetten en snakken naar een biertje vinden we dat we eerst de troep moeten opruimen.

We beginnen met de rolreefinstallatie los te maken. En dan gebeurt er iets moois. Ongevraagd beginnen de mannen van de Spoom ons te helpen en zie ik Rob van den Akker met een tang in zijn hand de voorstag losmaken. De crew van de Blue Box komt erbij staan en steken hun handen uit. Ook Dingeman Boogert helpt als we de boot moeten omkeren. Het is een warm bad na een koude kermis.
Ben helpt mij met de verzekeringspapieren, terwijl Lodewijk en de rest van mijn crew druk zijn met het bergen en intussen foto’s maken voor de verzekering. Als de boot na een uur van zijn geknakte mast is ontdaan, varen we Fram terug naar de box. Het is tijd voor dat biertje. In het clubhuis is de prijsuitreiking allang voorbij en gaat iedereen huiswaarts. We zien dat we achtste van de twaalf zijn geworden. Niet slecht, maar het boeit niet.

De grote winst zat vandaag in iets heel anders. Het zat in de fantastische crew die geweldig heeft gehandeld. Het zat in die leden van R&ZV Naarden die ons spontaan hielpen. Want voor 1 middag maakten ook zij deel uit van de crew van Team Fram.

Crew: Rob, René, Hennie & Floris
 Onshore crew: Ben, Lodewijk e.v.a.
 Wind: 16-32kn ZZO-NW
 Finish: 8 van twaalf

Inmiddels is het een maand later en heeft de verzekeraar FBTO laten weten de schade te vergoeden. Jachtservice Muiden heeft een offerte uitgebracht voor de verzekeraar. 5.100 euro exclusief sleepkosten. Voor onder meer het herstellen en vervangen van de zeereling aan stuurboord, de hekstoel, al het staand want, de rolfokinstallatie, de kraanlijn, de mastvoet (de mast stond bijna 30 graden gedraaid na de breuk) en natuurlijk de mast.

 

Bekijk hier de video (mastbreuk zit halverwege):

Save

Save

Save

Save

Next Post:
Previous Post:
This article was written by

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *